Geacht meisje in de kuil,
Vanmorgen bezocht ik Museum Kranenburgh in Bergen NH, en daar las ik je verhaal: Wat niemand had verwacht. Nee! Werkelijk niemand had verwacht dat je in een diepe kuil zou vallen – omdat je nét iets harder rende dan al die anderen, die ook zoveel haast hadden. Iedereen probeerde je te redden, maar waarom waren hun ladders te kort? Iemand gooide een warme trui naar beneden. En brieven, in het begin schreven mensen zoveel brieven dat je er een matras van kon maken. Maar het lukte niemand om je uit de kuil te bevrijden en uiteindelijk leek het alsof de wereld je was vergeten.
Lees verder “Het meisje rende te hard, en ze viel”


Ineens lijkt alles deze dagen over herinnering te gaan. Vandaag bevond ik me in het gezelschap van zo’n tweehonderd oorlogsoverlevenden en hun nabestaanden die hun herinneringen al meer dan twintig jaar delen met schoolkinderen, samen gaven ze de laatste twee decennia zo’n twintigduizend gastlessen, ze deelden hun herinneringen met naar schatting een half miljoen leerlingen.
Als ik op weg naar Assen Radio 4 aanzet, schalt plotseling het Requiem voor een kleine Polka van Henryk Górecki door de auto. Ik heb de cd thuis maar beluister hem nooit – de muziek kruipt teveel onder mijn huid. En dat gebeurt nu ook, kippenvel staat op mijn armen. Wat is dat toch, dat schoonheid je bij de lurven grijpt op momenten dat je er niet op verdacht bent? 
Het is echt waar, er was eens een man die in Zutphen zijn inspiratie vond. De torenspits van de Sint Jan was zijn pen, het water uit de IJssel was zijn inkt, het door de paddenstoelenman geleverde eekhoorntjesbrood gebruikte hij als papier en verhalen waaiden hem toe uit het gebeier van de klokken van de Walburgiskerk. 
Ik schrik van de bel, zo laat op de avond, al ben ik blij dat ze zich eindelijk melden. Dankzij de camera kan ik net hun puntmutsen zien met de pompons. Ze moeten op elkaars schouders zijn gaan staan om bij de bel te kunnen. Voor ik het weet zeulen ze een heel klein kratje bier de trap op en stellen zich aan me voor: Sjoeni, Ze’efrani, After en Salzmann, de vier kabouters uit het verhaal ‘Sjoeni’ van Etgar Keret. Ze hebben allevier een zonnebrilletje op.
Het is echt waar, er was eens een man met verdwijnogen. Hoe hij zich ook verzette: alles wat hij zag, raakte er in zoek. Je kon het zo gek niet bedenken – een kop koffie, een paar manchetknopen, de liefde van zijn leven – hij hoefde er maar naar te kijken en het verdween. Het Concertgebouworkest, de Noordzee, zijn vulpen: hoe hij ook zocht, hij vond het nooit meer terug. Het had geen zin om de handen voor zijn ogen te houden, want ze verdwenen. Een blinddoek: hetzelfde laken een pak. Je moet hem niet tegen het lijf lopen, want je komt nooit meer uit die ogen tevoorschijn, ik zweer het je.