Na “Na het einde van de wereld”

Na mijn vorige blog, over de indrukwekkende tekst van Adam Zagajewski “Na het einde van de wereld”, herinnerde Guus Meershoek me eraan dat Zagajewski in het verleden een gedicht schreef met dezelfde boodschap. Het verscheen in The New Yorker na de aanslag op de Twin Towers – maar Zagajewski schreef het een jaar eerder. Gevraagd wat hem tot dit gedicht had bewogen (schrijft vertaler Gerard Rasch), “antwoordt Zagajewski dat het waarschijnlijk met zijn jeugd in het door oorlog geteisterde Polen te maken heeft te maken: hij groeide op te midden van de ruïnes. En hij geeft aan dat je dat gedicht als een soort poëtisch manifest kunt beschouwen.”

Dit is het gedicht, dat in een vertaling van Gerard Rasch verscheen in Mystiek voor Beginners bij Meulenhoff in 2003.

Lees verder “Na “Na het einde van de wereld””

Na het einde van de wereld

Er is zorgelijk veel aan de hand in de wereld – en in ons land. Hoe te schrijven in deze tijden? Hoe de schone kunsten te vieren? Wat is de impact van ons, van mijn, handelen in een tijd waarin de wereld lijkt te vergaan? Het waren vragen die wel eens zwaar op me drukten in het afgelopen jaar.

En daar was ineens deze tekst van de Poolse dichter en essayist Adam Zagajewski. Onderstaand mijn vertaling, speciaal voor jullie, als boodschap voor het nieuwe jaar:

Adam Zagajewski
Na het einde van de wereld

Leven we al na het einde van de wereld? De historicus zal zeggen, dat ontelbare eindes van de wereld aan ons tijdperk voorafgingen. Het gevaarlijke Babylon viel. De Romeinen keken met angst naar de barbaren en de christenen. Het Byzantium viel. Voor mensen die in die beschavingen leefden als bijen in hun korf waren dat vreselijke catastrofes, echte eindes van de wereld (Carthago viel). Ze konden immers niet weten, dat over honderd, tweehonderd of vijfhonderd jaar de wonden geheeld zouden zijn en dat er iets van het oude Rome bewaard zou blijven in het christelijke Europa.

Maar ook dichterbij ons, in tijden die verhoudingsgewijs nog niet zo ver achter ons liggen: was de Eerste Wereldoorlog geen einde van de wereld, niet alleen voor de jongens die vielen bij Verdun, maar ook voor het merendeel van de inwoners van Europa? Er was een einde aan het komen aan de oude orde, een onzeker, chaotisch morgen zou beginnen. Er heerste alleen vreugde in die landen – zoals Polen en Tsjechoslowakije – waar het einde van de wereld onafhankelijkheid bracht.

Lees verder “Na het einde van de wereld”

De dood en het mysterie van de dingen

“De wonderlijke stilte van de dode.” Dat is de eerste zin uit de nieuwe essaybundel van Marjoleine de Vos En steeds is alles er. Over missen en herinneren. Al schrijvend zoekt De Vos naar woorden voor haar eigen herinneringen en voor het gemis van een overleden geliefde. Daarbij put ze ruimschoots uit woorden en beelden van andere dichters, denkers en kunstenaars.

Als je een geliefd mens moet missen, komt het hele universum in een ander licht te staan. “Onder elk gebaar en elk woord gaapt een leegte waar je zo in kunt vallen en heel die ogenschijnlijk normale wereld is een onbegrijpelijke fictie aangezien helemaal niets meer normaal is.” De wereld kent de geliefde niet meer en doet voort, zelfs de trams rijden gewoon door.

Eigenlijk is er in die wereld zonder die geliefde geen reden meer voor de dingen om te bestaan, en toch bestaan ze. Van wie zijn ze dan, vraagt Ton van Deel zich af:

Wie zijn ze als ze van niemand meer zijn,
de verlaten dingen, de viool.
Ze wachten af wie bij hen horen wil,
maar wie wil horen bij wat bestorven is.
Gedenk de dingen die het overleven,
niet zij zijn in de steek gelatenen,
wij zijn het zelf die ons, steeds weer, verlaten.

Ik moest aan die ‘verlaten dingen’ denken toen ik in Museum De Lakenhal in Leiden het Vanitasstilleven met portret van een jonge schilder van David Bailly (1584-1657) weer eens zag.

Lees verder “De dood en het mysterie van de dingen”

Oorlog, altijd opnieuw

Oorlogen stoppen ooit, poëzie niet. Met dat motto stimuleert het Oekraïense ministerie van Cultuur de bevolking om te schrijven. Op de website van het ministerie zijn inmiddels meer dan 32.000 gedichten te lezen die door iedereen, vanuit het hele land, worden ingestuurd.

Dichter bij huis stopt ook Esther Jansma niet met schrijven. In de week dat er opnieuw een verschrikkelijke oorlog is uitgebroken, plaatst ze op haar Facebookpagina haar gedicht Muur.

Het is zoals wij zeggen dat het is, eenvoudig
hier en wij, hier in ons wijde huis
gebouwd van landschap, gras dat wij begrijpen
en beweiden, wegen, water, akkerland.

Het gedicht zoemt weer door mijn hoofd wanneer ik later een enorm wandtapijt in het Zeeuws Museum sta te bewonderen.

Lees verder “Oorlog, altijd opnieuw”

Haar en haar

Als ik terugkeer van de markt, kom ik langs de IJssel mijn buurman tegen. ‘Ik ben op weg naar de kapper’, roept hij. ‘Heerlijk!’

Wat is dat toch met mensen en haar? Waarom bewaarde mijn moeder mijn allereerste haar in een envelopje? Waarom gaf de kapper een lok van mijn haar mee toen ik dat op mijn veertiende af liet knippen (en huilend van spijt naar huis fietste)? Waarom moet er haar op gezichten, borsten, bij geslachtsdelen – of er juist weer af?

Gelukkig was ik even in Parijs om antwoorden op al die vragen te vinden: in de spectaculaire tentoonstelling Des Cheveux & des poils (Haar & Haar). Een tentoonstellingsaffiche van een 18de eeuwse jongeman, kastanjebruine blik, weelderige krullen, gefotoshopte idem harige borst, trok me er als een magneet naar toe.

Lees verder “Haar en haar”

Anna en Edith, Edith en Anna

In de Musea Zutphen sta ik voor een bijzonder schilderij aan een muur in de kleur van aardbeienijs. Op de voorgrond van het kleine doek trippelen twee eksters. Allebei hebben ze een trouwring buitgemaakt, waar een van de eksters wat verbaasd naar kijkt. Achter hen, in een andere wereld, want van hen gescheiden door sluiers van ragfijne vitrage, gaat een huiselijke scène schuil. Op een ouderwets tafeltje staat een zilveren koffieservies klaar, je kunt meteen plaatsnemen op een van de stoelen die nog niet bij de tafel zijn aangeschoven.

En kijk, daar is ze al: een vrouw komt binnen door een verborgen deur. Ze neemt het servies van tafel en legt er een kleed overheen. Ze zet een foto neer, een theedoosje, pakt haar schrift en begint te schrijven.

Lees verder “Anna en Edith, Edith en Anna”

Het canongevoel


Toen ik aan het begin van de zomer door het ILFU – het Internationaal Literatuur Festival Utrecht – werd gevraagd een lijstje te maken van de tien Poolse romans die iedereen moet lezen om de Poolse literatuur te leren kennen, was dat een pittige en plezierige klus. Wat is er fijner dan het canongevoel, waarbij je, al is het maar even, in de illusie verkeert dat de wereld in een lijst van tien punten te vatten is? Of de vroegmoderne Nederlandse en Vlaamse kunst in honderd meesterwerken?

Lees verder “Het canongevoel”

11 Boeken om de Poolse literatuur te leren kennen

Wie ik werkelijk ben, heb ik te danken aan de Poolse literatuur. Die regel heb ik al eens eerder opgeschreven, en hij is nog steeds waar. Bij mijn eerste bezoek aan Polen, tijdens een studentenuitwisseling in 1983, ervaarde ik als enigszins naïeve Leidse kunstgeschiedenisstudent voor het eerst wat literatuur kan betekenen. Een boek of een gedicht kon een vlucht uit de werkelijkheid zijn. Maar veel meer nog was het een protest, een stem van verzet. Het waren de jaren waarin bijvoorbeeld het gedicht ‘Meneer Cogito’s opdracht’ van Zbigniew Herbert een duizelingwekkende carrière maakte door zich te transformeren tot een soort anti-communistisch strijdlied dat velen uit hun hoofd kenden. ‘Toon moed wanneer de rede tekort schiet moed/ bij de laatste afrekening is dat het enige wat telt.’ Het is een gedicht dat in het huidige Polen, waar de persvrijheid steeds meer wordt beperkt, waar de onafhankelijkheid van rechters wordt belemmerd, en waar democratie en rechtsstaat steeds meer worden ondermijnd, helaas opnieuw actueel is.

Voor het Internationaal Literatuur Festival Utrecht (ILFU) maakte ik een lijst van elf Poolse boeken die je gelezen moet hebben.

Lees verder “11 Boeken om de Poolse literatuur te leren kennen”

Kan een everywoman geen heldin zijn?

“In haar maandelijkse column kijkt kunsthistoricus Gerdien Verschoor met een hedendaagse blik naar de erfenis van de oude meesters van de Lage Landen”, zo staat mijn column aangekondigd op de website van delagelanden.com Die opdracht werd deze maand enigszins op de proef gesteld.

Eerst zag ik de prachtige tentoonstelling van de Italiaanse Sofonisba Anguissola (ca. 1532-1625) in Rijksmuseum Twenthe in Enschede. En nu volg ik gefascineerd het debat dat is ontstaan rondom het beeld Moments Contained van Thomas J. Price. Sinds begin juni is ze te zien voor het Centraal Station van Rotterdam: een vier meter hoog zwart meisje met het haar in een knot, gekleed in een trainingspak, sneakers aan haar voeten.

Lees verder “Kan een everywoman geen heldin zijn?”

Schakende meiden en een Poolse edelman

Misschien is het wel het eerste groepsportret in de kunstgeschiedenis dat alleen vrouwen afbeeldt: Het schaakspel van Sofonisba Anguissola (ca 1535 – 1625). Maar dat is niet wat dit schilderij zo bijzonder maakt. Want als je ernaar kijkt, voel je je meteen in de voorstelling opgenomen, alsof je zelf ook aan het schaakbord zit in je jurk van goudbrokaat. Je bent onderdeel van een spel van ogen en handen. Blikken en gebaren vliegen over tafel.

Sofonisba Anguissola, Het schaakspel, 1555, olieverf op doek, 72 x 97 cm.
The Raczyński Foundation, Nationaal Museum Poznań

Tegenover je zit Europa, het jongste meisje van het gezelschap. Lachend (je ziet haar tanden! – als ze niet zo jong was, zou dit ongepast zijn voor een dame) kijkt ze haar zusje Minerva aan terwijl ze haar linkerhand op tafel legt. Minerva op haar beurt kijkt naar haar oudere zus Lucia terwijl ze haar hand opheft en iets tegen haar zegt. Heeft ze gewonnen? Of wordt er vals gespeeld? En Lucia, die met haar rechterhand een schaakstuk verplaatst en met haar linkerhand beschermend de buitgemaakte koningin omsluit, kijkt naar jou. Of nee, natuurlijk kijkt ze niet naar jou, maar naar degene die haar portretteert: haar oudste zus Sofonisba. En er is nog iemand die meekijkt met het spel: de dienstbode helemaal rechts op het schilderij.

En zelf kijk je ook: naar parels in kapsels, naar kanten manchetten, naar het fijngepenseelde landschap dat zich achter het groepje vrouwen ontvouwt. De kunstenaarsbiograaf Giorgio Vasari, tijdgenoot van Sofonisba was bijzonder van het schilderij onder de indruk. De portretten van Sofonisba leken volgens hem werkelijk te leven, en kwamen aan niets tekort, ‘behalve aan spraak’, zo noteerde hij nadat hij het schilderij bij de Anguissola’s thuis in Cremona had gezien.

Lees verder “Schakende meiden en een Poolse edelman”