
‘Optimism is a moral duty’, verzuchtte een vriendin toen we vrijdag nogal zaten te treuren bij een croque monsieur. In gedachten was ik nog steeds naar een vreemd schilderij aan het kijken dat ik een dag eerder zag op de Brafa, de Brusselse kunstbeurs. Het Personnage debout van de Belgische surrealistische kunstenaar Jane Graverol (1905-1984) is zo te zien zojuist van een reis teruggekeerd. In zijn duffelse jas, hoed op het hoofd, tas in de hand, komt hij een huis binnen. Hij staat op de drempel, zijn voeten op de zwart-wit geblokte vloer, achter hem een landschap waarin een onbestemde ronde kei ligt en boompjes die veel te klein lijken voor de woestijnachtige ruimte waarin ze groeien. Hij heeft een aandenken meegenomen. Uit de hemel is een ei geknipt en dat ei is in omgekeerde vorm in de buik van de man terechtgekomen, een ei van blauwe hemel met wolken. Lees verder “Ei”
Als je van adel bent, zeker in Polen, kun je hele oude tantes hebben. Neem nu Jan Lubomirski-Lanckoroński, sinds vorige week voorzitter van de Stichting der Prinsen Czartoryski. Een van zijn tantes, Izabela Czartoryska née Fleming, leefde tweehonderd jaar geleden (1746-1835). Zij was een vooruitstrevende mecenas en kunstverzamelaar en bracht een legendarische collectie bijeen, met bijvoorbeeld het Landschap met de barmhartige Samaritaan van Rembrandt. Bijzonder, in die tijd, als vrouw. Haar nazaten breidden de collectie verder uit met topstukken als de Dame met de hermelijn van Leonardo da Vinci en het Portret van een jonge man van Rafaēl. Zelf stichtte Izabella in haar buitenverblijf in het Poolse Puławy een van de eerste openbare musea van Europa. 
Het is puur toeval, dat de personen die de laatste jaren het onderwerp zijn geweest van mijn bijzondere belangstelling – proefschrift, tentoonstelling, romans – in 1898 zijn geboren. Ik heb het dan over de Poolse kunstenaar Józef Czapski (1898-1993), Katarzyna Kobro (1898-1951), Karolina Lanckorońska (1898-2002), en Charlotte van Pallandt (1898-1997). Kobro stierf relatief jong aan de gevolgen van een ziekte, Czapski en Van Pallandt leefden bijna een eeuw, Lanckorońska werd 105. Hun wieg stond ergens in Europa en ze waren alle vier van adel. Drie van hen waren kunstenaar, voor Lanckorońska gold dat niet, zij was de eerste vrouw in Polen die professor in de kunstgeschiedenis werd. Behalve Van Pallandt stierven ze in een ander land dan waar ze geboren werden. 


Waarom werd je eigenlijk kunsthistoricus? Voor mijn column ter gelegenheid van de 75e verjaardag van de Vereniging van Nederlandse Kunsthistorici stelde ik deze vraag aan een aantal vakgenoten. Dat leverde, heel kort door de bocht, het volgende op: “de Arnolfini’s die ik als kind zag in de National Gallery – ik zal die ervaring nooit vergeten”, “Giotto in Italië – ik besloot mijn studie econometrie aan de wilgen te hangen”, “Rembrandt, meteen Rembrandt, en dat is altijd zo gebleven”. 
