
Of je nu wel of niet in kabouters gelooft, één ding is zeker: tuinkabouters bestaan echt. Ik zag ze onlangs nog in het atelier van K. wiens werk ik kwam bekijken, tussen de drukpers en een voorraad inkt. Het was per ongeluk: K. schaamde zich een beetje en probeerde de kartonnen doos met zijn voet nog snel onder zijn werkbank te schuiven.
Maar ik had ze al gezien. Rode mutsen, witte baarden, mopsneuzen. Het kon niet missen. Ik bukte me en trok de doos tevoorschijn, ik had me niet vergist. Tuinkabouters met kruiwagens en vishengels, met boodschappentassen en muziekinstrumenten. Een lag er zelfs te lezen, op zijn buik, hij had een bril op. Lees verder “Tuinkabouters”

Ga stevig op je mat staan, benen naast elkaar, armen naast het lichaam.
Het is echt waar, er was eens een man die in Zutphen zijn inspiratie vond. De torenspits van de Sint Jan was zijn pen, het water uit de IJssel was zijn inkt, het door de paddenstoelenman geleverde eekhoorntjesbrood gebruikte hij als papier en verhalen waaiden hem toe uit het gebeier van de klokken van de Walburgiskerk. 


Waarom werd je eigenlijk kunsthistoricus? Voor mijn column ter gelegenheid van de 75e verjaardag van de Vereniging van Nederlandse Kunsthistorici stelde ik deze vraag aan een aantal vakgenoten. Dat leverde, heel kort door de bocht, het volgende op: “de Arnolfini’s die ik als kind zag in de National Gallery – ik zal die ervaring nooit vergeten”, “Giotto in Italië – ik besloot mijn studie econometrie aan de wilgen te hangen”, “Rembrandt, meteen Rembrandt, en dat is altijd zo gebleven”. 