
Op mijn werkkamer van het Herinneringscentrum bij Kamp Westerbork heb ik twee foto’s opgehangen. Het zijn twee sterk vergrote opnames van een parfumflesje en een broche van een hondje, die door fotograaf Sake Elzinga bijna etherisch tegen een zwarte achtergrond zijn weergeven. De uitvergrotingen werken zo vervreemdend dat de foto’s autonome kunstwerken zijn geworden. Maar hun schoonheid bedriegt. In 2011 werden het flesje en de broche samen met nog talloze andere voorwerpen tijdens opgravingen door archeoloog Ivar Schute en zijn team opgediept uit de bodem van het voormalige kampterrein.
Vivi en Alister zijn op weg naar hun eigen bruiloft. Ze hebben geluncht, lopen terug naar de auto, hij opent het portier voor haar, gaat gemakkelijk zitten, draait het contactsleuteltje om en zet de motor dan weer uit.
Het is alweer een tijdje geleden dat ik een mail kreeg van JPFK. Ik heb grote bewondering voor JPFK, hij weet veel meer over kunst dan ik ooit te weten zal komen en hij kan er ook nog eens heel mooi over vertellen. Had ik misschien belangstelling voor de boeken over Rembrandt die hij aan het opruimen was? Dat had ik. En zo ben ik ineens de trotse bezitter van een stapel Rembrandt-literatuur waaronder de Dikke Rembrandt van Bob Haak en Rembrandt en de regels van de kunst van Jan Emmens. Maar het allerblijst ben ik met Rembrandt schilderijen 630 afbeeldingen van Abraham Bredius uit 1935. 
Hij ligt er zo stil bij dat het wel een winterlandschap lijkt: het dode snipje. Ook de kleuren zijn als van heuvels in de sneeuw – allerlei tinten wit en grijs, met hier en daar wat toetsen in roodbruin als echo van oud leven. Pootjes om mee te lopen, een vleugel om mee te vliegen, een snavel om mee in de lucht te prikken.
Als een roman begint met twee jongetjes die muntjes op de treinrails leggen en een wedstrijd doen wiens zloties in de mooiste vormen onder de wielen van de trein vandaan zullen springen, dan kun je het al bijna raden. Die plek, die trein, die rails gaan een cruciale rol spelen in het leven van de vrienden. Maar op die warme zomerdag in 2002, ‘de dag waarop alles een einde nam’, heeft de zevenjarige Szymek daar nog geen idee van. Het is de dag waarop hij zijn ouders zal verliezen en in het huis van zijn oma, Tośka, aan een nieuw leven moet beginnen. Vanaf dat moment ontvouwt zich een sprookjesachtige roman, in een prachtige stijl geschreven en mooi vertaald, waarin we twee met elkaar verstrengelde levens volgen: dat van Szymek, die in het boek opgroeit tot volwassen man, en dat van Tośka, met wie we terugkeren naar haar verleden.
‘Ruïnes zijn overal om ons heen, zolang je ze wilt zien, natuurlijk’, zo begint het bijzondere boek Caspar David Friedrichstraße van Cécile Wajsbrot. Ruïnes zijn overal om ons heen en ze zijn er vooral ook in het oeuvre van Caspar David Friedrich, de opperschilder uit de Duitse Romantiek. Wajsbrot schrijft haar boek als een toespraak waarmee een nieuwe straat in Berlijn wordt geopend, de Caspar David Friedrichstraße, een gloednieuwe straat waar nog nooit iets is gebeurd. Maar wat betekent de aanleg van een nieuwe straat voor de omgang met het verleden? 
In dit veel te lange blog ga ik proberen u te verleiden tot het lezen van een veel te dik boek met veel te veel personages en een veel te lange ondertitel. De Jacobsboeken. Een grote reis over zeven grenzen, door vijf talen en drie grote religies, de kleine niet meegerekend. Verteld door de doden, en door de auteur aangevuld met behulp van conjunctuur, uit vele uiteenlopende boeken geput, alsmede geholpen door de imaginatie, die de grootste natuurlijke gave is van de mens. Voor de Wijzen pro Memorie, voor mijn Landgenoten ter Reflectie, voor de Leken tot Lering, en voor de Melancholici evenwel tot Vermaak.