‘Mijn vader was een tuinman. Nu is hij een tuin.’ Dat is de beginzin van het nieuwe boek van Georgi Gosponinov, De dood en de tuinman.
Als de tuin het einde is – wat was dan het begin van dat einde? Was dat het moment waarop de vader zei: ‘Ik heb in mijn broek geplast?’ In ieder geval is dat de aankondiging van een groot verdriet – de smart van het sterven. Toch is dit geen boek over de dood, schrijft Gospodinov, maar over het verdriet over een leven dat er niet meer is. Dat leven moet ‘gevierd’, of in ieder geval beschreven worden. En zo vervlecht Gospodinov in dit boek (is het een roman, een essay, een memoir?) verhalen uit het leven van zijn vader met zijn eigen verdriet over diens dood.
Een jaar geleden zei een Poolse vriend dat ik De dood en de tuinman moest lezen. Mijn eigen vader was net overleden en volgens de vriend zou dit boek me helpen. Ik kocht het in het Pools (het was nog niet in het Nederlands vertaald), maar kon me er niet toe zetten het te lezen. Ik had geen zin in andermans rouw en eigenlijk ook geen zin om de Poolse vertaling van een Bulgaars boek te lezen.
Georgi Gospodinov (Jambol, 1968) schreef eerder romans, dichtbundels, scenario’s en teksten voor stripboeken. In 2023 won hij de International Booker Prize voor zijn roman Schuilplaats voor andere tijden.
Maar onlangs verscheen de Nederlandse vertaling van Hellen Kooijman en las ik het boek in één adem uit. Nee, dat is niet waar. Af en toe moest ik het wegleggen, omdat de herinneringen aan de laatste weken, de laatste dagen van mijn vader door dit boek veel te helder en ongepolijst naar boven kwamen, met alle details over zijn pijn, zijn verdriet om ons los te laten, en onze machteloosheid daarbij. ‘Rouw is eigenlijk egocentrisch’, schrijft Gospodinov. ‘Je rouwt om jezelf in een verlaten wereld. Hoe moet ik leven zonder… Maar dat is slechts één kant van het verhaal, één kant van het afscheid nemen. Want op hetzelfde moment nam hij ook afscheid van ons.’ Hoe ziet het verdriet van de stervende eruit? Dat verdriet dat zich niet alleen voedt met het verleden, maar vooral met de toekomst? Gospodinov beschrijft het weergaloos, in twee bladzijden. De dood is een kers die rijpt, zonder jou.
En ook al het andere beschrijft Gospodinov weergaloos, in korte stukken, van soms maar één pagina of enkele regels lang. De jeugd van zijn vader, die als kind uit werken werd gestuurd om te helpen het gezin te onderhouden. Die een gezin stichtte tijdens het communisme en zich na de omwenteling in een nieuwe werkelijkheid moest zien te handhaven. Die voor allerlei situaties een arsenaal aan absurdistische verhalen paraat had – verhalen die ook in het boek van Gospodinov opduiken en de zwaarte van het boek humor en lichtheid geven. De vader die ziek werd en alle fases van die ziekte tot in de diepste diepte moest doorleven – de slechtnieuwsgesprekken, het onderhandelen met de dood, het magisch denken (blijven leven ‘tot de koekoek ons roept’), en de pijn (laat hem geen pijn hebben, laat hem geen pijn hebben).
Naast de vader: de ontredderde zoon, die zijn hand vasthoudt, bij hem op bed gaat liggen en hem voorleest. Het sterven. Hoe vind je daar woorden voor? En hoe vertel je een hond dat zijn baasje er niet meer is in een cultuur waarin het nieuws over de dood ook aan de huisdieren moet worden meegedeeld? De eerste verjaardag zonder hem, de eerste Kerst, de eerste familiefoto met een gat erin ook al kijkt iedereen je lachend aan… Dit is een lang verdriet, zegt een vriend van Gospodinov.
Wat Gospodinovs vader achterliet, was zijn tuin. Daar voelde hij zich het beste – hij sprak via de tuin en zijn zoons volgen nu braaf de tuinaantekeningen uit zijn notitieboekje op. Zo weten ze wanneer ze moeten zaaien, opbinden, water geven, zich afvragend: ‘Zijn bloemen in wezen geen geheime periscopen van de doden die onder hun wortels begraven liggen en die de wereld bekijken door hun steeltjes?’ En: ‘Waar ben ik de afgelopen dertig jaar geweest, terwijl mijn vader met dit alles bezig was? Wat heb ik gedaan? Wat is mijn tuin?’
‘Voor mij is hij nog steeds dezelfde’, schrijft Gospodinov, ‘de knapste, de grootste, mijn vader.’ Voor mij is hij óók nog steeds dezelfde. De knapste, de grootste, mijn vader. En ik ben Gospodinov dankbaar dat hij taal heeft voor een verdriet dat ik zelf nog steeds niet kan benoemen.
Georgi Gospodinov,
De dood en de tuinman
Vert. Hellen Kooijman
Ambo|Anthos
223 blz.



Dank voor het delen van je leeservaring met tegelijkertijd je eigen ervaring met je verlies. Op een zekere leeftijd krijg je te maken met verlies van dierbaren. Het onuitsprekelijke gemis kan wat mij betreft niet vaak genoeg met mooie wooren onder de aandacht worden gebracht. Bij het ontbreken aan bepaalde rituelen om te herdenken zijn boeken met dit onderwerp een fijne troost. Dit boek ga ik binnenkort lezen (hoogstwaarschijnlijk in gezelschap van hen die er niet meer zijn en een iemand in het bijzonder) en ik hoop het te bespreken met mensen die het ook gelezen hebben.
Dankjewel Ania! Ik ben benieuwd naar jouw leeservaring.