Gerdien Verschoor

OoknogHet geheime genootschap van vrouwen met gelakte duimnagels

Ze zijn (minstens) met zijn vieren en ontmoeten elkaar in café D. in het IJsselstadje Z. Het is altijd zondag, er wordt stevig en van alles gedronken (een hele of een halve fles Żubrówka, drie flessen Chardonnay, Pernod met en zonder water). Hoe langer ze aan tafel zitten, hoe zachter ze gaan praten. Na een aantal uren verlaten ze fluisterend het café. Niemand weet wat ze hebben besproken, waar ze wonen, of wat ze van plan zijn, de leden van het Geheime Genootschap van Vrouwen met Gelakte Duimnagels.


OoknogDe oversteek

Dankzij mijn hond heb ik ze gezien. In het café was ik de tijd vergeten en daarom liepen we later dan anders langs de IJssel, mijn hond en ik, het was ver na middernacht. Hij reageerde discreet, zoals altijd: hij spitste zijn oren en zijn nekharen gingen recht overeind staan. Geen gegrom, gejank, geblaf. Gedecideerd draafde hij de dijk af, tussen de koeien door, in de richting van het water. Ik kon niet anders dan hem volgen. Pas toen hij naar me terugkeerde en zijn bevende lijf tegen mijn knieën drukte, zag ik hen beiden: een man en een vrouw. Hun silhouetten lichtten op tegen het donkere water van de IJssel. Ze moesten al minstens tachtig zijn, ik zag het aan de hulpeloosheid waarmee ze bewogen, het witte vlees dat trilde om hun benen. De man stond met de rug naar me toe, zijn behaarde schouders glinsterden als spinnenwebben in het maanlicht. Ze omhelsden elkaar. Haar handen gleden langs zijn nek, door de spinnenwebben. Ik wendde mijn blik af. Uit de rivier steeg een dunne nevel omhoog. Het was zo stil dat je de koeien kon horen, hoe ze aan het gras stonden te trekken. Even later waren ze op de IJsselkribbe gaan zitten. Ze spraken zacht met elkaar en lieten na lange tijd elkaars hand los. Hij was de eerste die zich in de rivier liet glijden, omkeek, of ze hem wel volgde. Ik hoorde het water zacht klotsen en zag hoe ze naar hem toe liep tot haar oude buik in de rivier verdween. Ze hief haar armen omhoog, het was alsof ze danste. Ze zwommen een paar slagen naast elkaar tot ze over hem heen schoof, haar hoofd tussen zijn schouderbladen. Nu leek het wel alsof ze één lichaam deelden, zwemmend in één ritme. Ik keek ze na tot ze uit het oog waren verdwenen. Even dacht ik nog hun sporen te kunnen zien op de keien van de IJsselkribbe. Maar dat was natuurlijk onmogelijk.


OoknogEleonora

Een scène schrijven waarin een rijnaak, de Eleonora, over de IJssel vaart, dan langs de IJssel gaan wandelen en ingehaald worden door een rijnaak, de Eleonora.


OoknogDe man die achteruit kon lopen

Het is echt waar, er was eens een man die achteruit kon lopen. Altijd koos hij de eerste dag van het jaar om zijn mooiste mantel aan te trekken en zijn hoed af te borstelen. Hij begon er meteen mee, anders werkte het niet. Toevallige voorbijgangers wisten niet wat ze zagen. Zijn schoenen klosten door de regen, hij liep langs de kerk en door de winkelstraten, de kerstverlichting tinkelde in de plassen waar hij zojuist doorheen was gelopen. Hij wandelde langs de IJssel en hij keek naar de torens van de stad die steeds kleiner werden, het carillon zou nu moeten spelen maar de stad was al zo ver weg dat hij het niet kon horen. Hij liep langs de uiterwaarden en over fietspaden, betrad pelgrimsroutes en verliet ze weer. Over de grens begon het te sneeuwen en hij keek naar de voetstappen die hij achterliet in de sneeuw, het werd voorjaar en zomer en herfst, zijn schoenen waren op 31 december nog steeds niet versleten. Hij liep net zo lang tot hij een huis vond waar een flink feest aan de gang was en waar het niet opviel als hij een bad nam en zich in een van de vele logeerbedden te slapen legde. De volgende ochtend trok hij zijn mooiste mantel aan, borstelde zijn hoed af, en trok de voordeur stevig achter zich dicht. Tevreden knikte hij naar de stad die langzaam in de verte verdween en hij keek niet om, want de toekomst interesseerde hem niet.


OoknogHet krijtende kerstkind

Het gebeurde op een kerstnacht, nu al weer jaren geleden. Ik liep over de dijk langs de IJssel naar huis. Het was een prachtige kerkdienst geweest en de kerstliederen klonken nog na in mijn hoofd. Er is een roos ontloken. Midden in de winternacht. Zacht neuriede ik ze mee. En daarna gezellig nog een glas glühwein met iedereen. Nou ja, een paar glazen. Ik moest nog een flink stuk naar huis lopen tenslotte.

Inmiddels was het weer gaan sneeuwen. Toch gloeide er een rozerode streep aan de horizon, alsof de hemel daar op het punt stond om open te breken en ruimte te geven aan de engelenkoren. Het was doodstil. Het enige dat ik hoorde, waren mijn eigen voetstappen en mijn geneurie. Inmiddels was ik aangekomen bij Nu sijt wellecome, Jesu lieve Heer. En gelukkig maar, dat ik niet uit volle borst zong, anders had ik dat vreemde geluid nooit gehoord. Er lag iemand te krijten. Of verbeeldde ik het me? Ik schudde met mijn hoofd om mijn rare gedachten te verjagen en zette er weer flink de pas in, op het ritme van Hoe leit dit kindeken. Maar ik hoorde het opnieuw, ik verbeeldde me helemaal niets, er lag een baby te huilen. Een hele kleine baby. Een pasgeborene. En het gejank leek wel uit de IJssel te komen. Ik klauterde de dijk af, in de richting van het water. De sneeuw lag hier meer dan enkelhoog. Even was het even stil, maar zodra ik mijn pas in hield hoorde ik het opnieuw. Alsof iemand mij riep.

Daar moest het zijn, aan het einde van de IJsselkrib. Iemand had er een kerststukje neergezet. Een kaarsvlammetje verlichtte de onderste bladeren van een witte kerstroos. Op het moment dat ik stilstond om van het poëtische tafereel te genieten, begon het gehuil weer, het ging door merg en been. De basalten stenen van de IJsselkrib waren spekglad en op handen en knieën kroop ik naar de kerstroos.

Ik kon mijn ogen niet geloven. In het licht van de kaars lag daar een kindeke, kleiner dan de nagel van mijn pink, dat hartverscheurend huilde. Als ik het optilde, werd het stil. Als ik het weer neerlegde, zette hij het op een krijsen. Ik stopte het kindeke in mijn jaszak en kroop terug naar de oever. Ik strompelde door de sneeuw de dijk op en liep in hoog tempo naar huis, terwijl ik heel snel de resterende  kerstliedjes neuriede.

Thuis was het lekker warm. Nadat ik mijn pantoffels had aangetrokken en het licht van de kerstboom had aangestoken, haalde ik het kindeke uit mijn jaszak. Zijn geschreeuw vulde het hele huis. Ineens wist ik het weer, hoe je een kerstkind toe moest spreken.

‘Ei’, riep ik hem toe. ‘Ei, zwijgt toch stil, su su en krijt niet meer.’ En verdomd, hij hield zich stil. Sterker nog, vanonder mijn vergrootglas kon ik zien dat het tevreden lag te duimen. En met het vergrootglas kon ik ook zien dat het inderdaad een jongetje was. Wat wilde dit kind van mij? En waarom was het aan mij verschenen? Kon het wel bestaan, een kerstkind kleiner dan de nagel van mijn pink? Terwijl ik me dit af zat te vragen, begon er een andere baby huilen. Even dacht ik dat het gehuil uit de televisie kwam. Pas toen ik naar de sneeuwbal keek die naast de televisie stond, ging me een lichtje op. Zacht schudde ik aan de bal. Het begon te sneeuwen op het kind, op de os en de ezel, en op Jozef en Maria. Ik tuurde naar binnen, en zag het kind in de kribbe. Het wapperde met zijn armpjes.

Met de sneeuwbal in mijn handen liep ik naar de keuken. Ik hield de bol ondersteboven en bekeek de onderkant. Made in China. Voorzichtig trok ik de bodem los, waar de kerstvoorstelling op vastgeplakt zat. Het water met de sneeuw liet ik in een plastic bakje lopen.

Allebei de kerstkinderen waren inmiddels tot bedaren gekomen, alsof ze voorvoelden wat er ging gebeuren. Met mijn vergrootglas keek ik in de kribbe. Gek, dat me dat nog nooit was opgevallen. Naast het kerstkind dat daar al lag, was er duidelijk nog plaats voor een tweede. Ik rommelde in de keukenla tot ik een tubetje tweecomponentenlijm vond. Met een pincet pakte ik de vondeling op. Ik liet een minuscuul druppeltje lijm op zijn billen vallen en plakte hem in de kribbe, naast zijn broertje. Ik liet het geheel goed drogen, goot het water met de sneeuw terug in de glazen bol, en schroefde de kerstvoorstelling op zijn plaats. Nu nog een beetje lijm tussen de bovenkant en de onderkant om er zeker van te zijn dat de sneeuwbal niet leeg zou lopen. Nadat ik het karweitje af had, hield ik de bol voor mijn ogen en schudde tot het begon te sneeuwen op de heilige familie, die eindelijk compleet was.